De private privak is een typisch Belgisch instrument: discreet, fiscaal doordacht en bijzonder geschikt voor wie samen met een selecte groep gelijkgestemden wil beleggen in niet-beursgenoteerde bedrijven. Met de aangekondigde verlenging van de looptijd onder de regering-De Wever én de nieuwe meerwaardebelasting van 2026 is de structuur opnieuw volop in beweging. Voor wie ze correct begrijpt, blijft de privak een van de fiscaal scherpste vehikels die België aanbiedt.

Wat is een private privak?

De private privak (voluit: de private beleggingsvennootschap met vast kapitaal) is een Belgische alternatieve beleggingsinstelling, opgericht in 2003 met als doel investeringen in niet-beursgenoteerde ondernemingen aan te moedigen via een gereguleerde, fiscaal neutrale structuur. Ze werd hervormd in 2007 en 2018, en staat in 2026 opnieuw op de hervormingstafel.

In essentie brengt een private privak het kapitaal samen van een besloten groep van minimaal zes niet-verbonden investeerders, met elk een minimuminleg van 25.000 euro, in een professioneel beheerde vennootschap die investeert in niet-beursgenoteerde aandelen. De privak van de eerste categorie, de fiscaal meest gunstige variant, is verplicht om quasi-exclusief te beleggen in niet-genoteerde aandelen die voldoen aan de DBI-taxatievoorwaarde (vuistregel: aandelen van normaal belaste vennootschappen). Daarnaast is er beperkte ruimte voor beleggingen in andere private privaks, deposito’s en bepaalde schuldinstrumenten. De privak van de tweede categorie kent een ruimer beleggingsbeleid, maar geniet minder fiscale voordelen.

De fiscale architectuur: waarom ze zo efficiënt is

De fiscale logica van de privak van de eerste categorie is elegant én voorwaardelijk. Het fonds is formeel onderworpen aan de vennootschapsbelasting, maar op een belastbare basis die in de praktijk vrijwel nul is. Ontvangen dividenden, gerealiseerde meerwaarden op aandelen en ontvangen interesten zijn niet belastbaar op fondsniveau. Enkel abnormale of goedgunstige voordelen, bepaalde verworpen uitgaven en het financieringskosten surplus vormen de belastbare basis.

Op het niveau van de belegger geldt de vrijstelling van roerende voorheffing op uitgekeerde dividenden, voor zover die voortkomen uit gerealiseerde meerwaarden op aandelen (artikel 106, § 9 KB/WIB). Voor de natuurlijke persoon is die uitkering ook in de personenbelasting vrijgesteld. Concreet: wat het fonds verdient op de verkoop van een participatie in een groeibedrijf, bereikt de belegger zonder fiscaal lek op de weg ernaartoe. Andere uitkeringen (interesten, niet-aandelenmeerwaarden) volgen het reguliere RV-tarief.

Voor vennootschapsbeleggers geldt sinds aanslagjaar 2026 een bijkomende voorwaarde voor de verrekening van roerende voorheffing op DBI-dividenden uit privaks: de vennootschap moet aan minstens één bedrijfsleider de minimumbezoldiging (in principe 45.000 euro) toekennen. Vennootschappen die hier niet aan voldoen, lopen het risico op een bijkomende kost van 30 % op deze dividenden.

De positie van de privak ten opzichte van de meerwaardebelasting

Sinds 1 januari 2026 geldt in België een meerwaardebelasting van 10 % op gerealiseerde meerwaarden uit financiële activa, met een jaarlijkse vrijstelling van 10.000 euro per persoon (geïndexeerd; tot maximaal 15.000 euro mits vijf jaar onbenut overdragen). Voor een aanmerkelijk belang van minstens 20 % geldt een afwijkend, getrapt regime.

Hoe verhoudt de private privak zich tot deze nieuwe heffing? Het antwoord is gelaagd, en politiek omstreden.

Op uitgekeerde aandelenmeerwaarden: de bestaande RV- en PB-vrijstelling op privak-uitkeringen uit gerealiseerde aandelenmeerwaarden blijft van kracht. De meerwaardebelasting belast meerwaarden, niet de daaropvolgende dividenduitkering. De facto ontsnapt deze stroom dus aan de nieuwe heffing. De woordvoerder van minister van Financiën Jan Jambon nuanceerde begin 2026 in de pers dat het hier “niet om een versoepeling van deze regering” gaat: de vrijstelling bestaat al sinds 2003 en is niet specifiek voor deze hervorming gecreëerd.

Vier praktische aandachtspunten

- Minimale samenstelling. De vereiste van zes niet-verbonden investeerders is in de praktijk vaak een drempel. Familieleden tellen niet mee om aan dat aantal te komen. Een nauwgezette structurering van het aandeelhouderschap is noodzakelijk.

- Looptijd en illiquiditeit. De huidige maximumlooptijd bedraagt 12 jaar, met twee verlengingen van 3 jaar mogelijk (totaal 18 jaar). De aangekondigde hervorming wil de basislooptijd verlengen naar 15 jaar, met drie verlengingen van 3 jaar mogelijk. Tussentijdse uitstap is niet voorzien.

- Erkenning vooraf. Een privak moet zich vóór de eerste investering inschrijven op de lijst van private privaks bij de FOD Financiën. Verlies van die erkenning betekent verlies van het fiscale regime.

- Compliance van het beleggingsbeleid. Voor de privak van de eerste categorie is het beleggingsbeleid restrictief. Een investering die niet voldoet aan de DBI-taxatievoorwaarde of de andere kwalificatievereisten kan de eerste categorie compromitteren en de fiscale neutraliteit doen vervallen.

Besluit

De private privak blijft een van de fiscaal efficiëntste vehikels in het Belgische beleggingslandschap. Haar positie ten opzichte van de nieuwe meerwaardebelasting is genuanceerder dan vaak voorgesteld: dividenduitkeringen uit aandelenmeerwaarden ontsnappen aan de heffing via de bestaande vrijstellingsmechaniek, maar een meerwaarde op de privak-aandelen zelf doet dat niet. Het politieke debat over deze fiscale asymmetrie is bovendien verre van afgesloten.

Wie overweegt via een private privak te beleggen, privaat of via zijn vennootschap, heeft fiscaal gezien sterke argumenten.