Met zijn boek ‘De Private Equity Code’ wil Matty Martens meer inzicht bieden in een investeringswereld die lange tijd voorbehouden bleef aan een beperkte groep beleggers. Maar toegankelijker betekent voor hem niet eenvoudiger. Nu private equity een steeds grotere plaats krijgt in beleggingsportefeuilles, moeten beleggers volgens de CEO van multi-family office B-sure vooral begrijpen waar rendement vandaan komt, welke risico’s ze nemen en hoe fondsbeheerders daadwerkelijk waarde creëren.
Investment Officer sprak hem in het hoofdkantoor van de bankmakelaar in Hasselt over zijn boek en zijn kijk op een private-equitymarkt die volop in beweging is. De link met ondernemerschap vormde de aanleiding voor het boek, want voor de auteur draait private equity voornamelijk rond actief eigenaarschap. Het sluit nauw aan bij de ondernemers die hij vanuit zijn family-officepraktijk ontmoet.
Ondernemerslogica
‘Private equity spreekt de taal van onze klanten’, benadrukt Martens. Voor ondernemers is de logica achter waardecreatie volgens hem herkenbaar: wanneer de operationele resultaten verbeteren of de netto financiële schuld afneemt, stijgt de waarde van hun onderneming.
Waar Martens vroeger vooral geboeid was door IPO’s en beursgenoteerde groeibedrijven, verschoof zijn aandacht de afgelopen twintig jaar geleidelijk richting private equity. ‘Groeibedrijven die kapitaal nodig hadden, trokken vroeger relatief snel naar de beurs. Vandaag blijven ze veel langer in private handen.’
De belangstelling voor private equity vertaalt zich bij Martens ook naar de manier waarop hij naar de portefeuille van vermogende families kijkt. Private equity staat daarin niet op zichzelf. Hij pleit voor een spreiding tussen liquide beleggingen, vastgoed en private equity. Hoe sterk het accent op die laatste activaklasse ligt, verschilt van cliënt tot cliënt en hangt volgens hem niet alleen af van het risicoprofiel, maar ook van ‘het DNA van de belegger zelf’.
Voor cliënten die in private equity willen beleggen, wordt vervolgens binnen het aanbod van gereglementeerde financiële instellingen naar passende oplossingen gezocht. Martens houdt zich daarbij vooral bezig met het sourcen en analyseren van private-equityfondsen. Precies die praktijkervaring vormt een belangrijke voedingsbodem voor zijn boek.
Operationele waardecreatie
De vraag waar het rendement van een fonds precies vandaan komt, staat centraal in Martens’ selectieproces. Een belegger stapt bij een traditioneel private-equityfonds immers grotendeels in een blind pool: bij de commitment is nog niet bekend welke bedrijven uiteindelijk in portefeuille zullen komen.
Het verleden van de fondsbeheerder wordt daardoor een belangrijke houvast. Martens zoekt daarom naar fondsmanagers die kunnen aantonen dat ze daadwerkelijk operationele waarde hebben toegevoegd. Dat kan bijvoorbeeld via sectorspecifieke kennis, kostenbesparingen, digitalisering, internationalisering of door portefeuillebedrijven toegang te geven tot een groter netwerk.
‘Dat is niet gewoon kopen en duurder doorverkopen’, stipt hij aan. ‘We gaan mee ondernemen.’ Precies dat ondernemerschap is waar hij naar eigen zeggen het meest naar zoekt bij private-equityfondsen. Voor dit alles is direct contact nodig. ‘Het is echt wel door te spreken met die fondsbeheerders.’
Daarmee sluit zijn aanpak rechtstreeks aan bij de centrale gedachte van het boek: private equity beoordelen vraagt meer dan kijken naar rendement, multiples en bekende fondsnamen. Wie een fonds wil doorgronden, moet volgens Martens vooral begrijpen hoe een beheerder zijn historische rendement heeft gerealiseerd en welke toegevoegde waarde hij als aandeelhouder aan zijn portefeuillebedrijven kan bieden.
Omslag
Die nadruk op operationele waardecreatie weerspiegelt volgens Martens een bredere evolutie van de sector. Private equity kampte lange tijd met het beeld van investeerders die ondernemingen overnamen, met schulden belaadden en vervolgens zoveel mogelijk rendement uit die bedrijven probeerden te halen. Volgens Martens heeft de sector sindsdien een beweging gemaakt naar betere governance en meer aandacht voor waardecreatie.
Ook voor de kapitaalzoekende ondernemers verandert daardoor de vraag welke private-equitypartij zij als aandeelhouder willen binnenhalen. Het gaat volgens de auteur niet langer alleen om de investeerder die bij instap de hoogste prijs betaalt. Minstens zo belangrijk is welke partij de onderneming kan helpen opschalen en daarmee de waarde bij een volgende exit verder kan vergroten.
De aanwezigheid van een private-equityaandeelhouder kan volgens hem zelfs steeds meer als een visitekaartje fungeren. Het kan erop wijzen dat de corporate governance op orde is, dat er een onafhankelijke raad van bestuur bestaat en dat de onderneming niet langer volledig rond de oprichter of CEO draait.
Twee uitersten
De CEO van B-sure plaatst die ontwikkeling in een veel grotere verschuiving binnen de financiële markten. Hij ziet beleggers steeds sterker naar twee uitersten bewegen. Aan de ene kant hebben goedkope, passieve ETF’s sterk aan populariteit gewonnen. Aan de andere kant bestaat behoefte aan daadwerkelijk actief beheer en eigenaarschap. ‘Het actief eigenaarschap of actief beheer vinden ze vandaag minder bij de traditionele financiële instellingen’, stelt hij.
Tegelijkertijd wordt de beurs volgens hem steeds meer het terrein van grote en volwassen bedrijven. Het rendement wordt er bovendien in belangrijke mate gedragen door zeer grote beursbedrijven. Kleinere ondernemingen kunnen daardoor beter tot hun recht komen binnen private markten. Die ontwikkeling wordt mede mogelijk gemaakt doordat de private-equitysector de afgelopen decennia professioneler is geworden.
De auteur verwacht dat die verschuiving verdergaat. Toenemende regelgeving maakt een beursnotering vooral aantrekkelijk voor grote bedrijven die ook in belangrijke indices kunnen worden opgenomen, terwijl kleinere bedrijven vaker privaat blijven of opnieuw van de beurs verdwijnen. De groei beperkt zich bovendien niet tot private equity. Ook private credit en infrastructuur nemen binnen private markten een steeds prominentere plaats in.
Democratisering
De groei van private equity gaat gepaard met een tweede ontwikkeling: de activaklasse wordt toegankelijker. Waar private equity traditioneel het terrein was van institutionele en zeer vermogende beleggers, zijn de afgelopen jaren verschillende structuren ontstaan waarmee een breder publiek toegang krijgt. Martens wijst onder meer op closed-endfondsen en semi-liquide oplossingen die via banken en verzekeraars worden aangeboden.
Die democratisering moedigt hij aan, maar niet zonder voorbehoud. Een van de centrale waarschuwingen uit zijn boek vat hij samen in één zin: ‘De democratisering van de private markten mag niet gepaard gaan met de simplificering van de risico’s.’
Volgens Martens mag de verbreding van de markt niet louter worden gebruikt om fondsen aan een groter publiek te verkopen. Private equity blijft een complex en illiquide beleggingsproduct dat de nodige aandacht vereist. Ook wanneer een fonds een semi-liquide structuur heeft, verdwijnen die fundamentele kenmerken niet.
‘De democratisering van de private markten mag niet gepaard gaan met de simplificering van de risico’s’
Matty Martens, auteur ‘De Private Equity Code’
Dat betekent ook dat een private-equityallocatie niet los mag worden gezien van de rest van het vermogen. Commitments en toekomstige kapitaaloproepen moeten volgens hem worden afgestemd op liquide beleggingen, kredietlijnen en andere financiële verplichtingen. Het idee dat uitkeringen uit oudere fondsen automatisch de kapitaaloproepen van nieuwe fondsen financieren, noemt hij te simplistisch. Exits kunnen immers langer duren dan voorzien.
‘DPI is de nieuwe IRR’
Dat laatste is des te relevanter nu de private-equitysector met een tragere exitmarkt wordt geconfronteerd. Jarenlang draaide de aandacht sterk om IRR, de internal rate of return. Maar Martens zag tijdens het sectorevent SuperReturn International in Berlijn een duidelijke verschuiving in de discussie. ‘Waar IRR jarenlang talk of the town was, is dat nu DPI. Met andere woorden, DPI is de nieuwe IRR.’ DPI,of distributed to paid-in capital drukt uit hoeveel kapitaal een fonds daadwerkelijk heeft terugbetaald aan zijn beleggers.
Wanneer exits langer duren, wordt volgens Martens ook communicatie met beleggers belangrijker. Illiquiditeit hoeft volgens hem niet noodzakelijk een probleem te vormen, zolang beleggers vooraf goed begrijpen waarin ze stappen en vervolgens voldoende informatie krijgen over wat er binnen hun belegging gebeurt. ‘Het start met goede educatie voorafgaandelijk aan een belegging’. Ook een goede rapportering is volgens hem essentieel. Geen terugbetalingen zien in combinatie met weinig transparantie is een veel moeilijker verhaal voor een belegger.
Ook voor de fondsbeheerders zelf is het speelveld veranderd. De klassieke leveraged buy-out kon jarenlang profiteren van bijzonder goedkope financiering. Die periode is volgens de auteur voorbij. ‘De tijd van dat gratis geld is voorbij’. Wanneer krediet duurder wordt en exits uitblijven terwijl de rentelasten doorlopen, kan dat volgens hem het rendement drukken. Tegelijk kunnen lagere waarderingsmultiples nieuwe investeringsmogelijkheden creëren.
De auteur ziet in de huidige omgeving ook voordelen in closed-end private-equityoplossingen. Die hebben volgens hem een natuurlijk smoothing effect, onder meer doordat beleggingen blootgesteld zijn aan verschillende rente- en wisselkoersomgevingen.
Het verhaal achter de activaklasse
‘De Private Equity Code – De ongeschreven regels van een gesloten investeringswereld’ is nadrukkelijk niet opgevat als een praktische handleiding om in private equity te beleggen. Martens wil er vooral het verhaal achter de activaklasse mee vertellen: van het ontstaan en de ontwikkeling van private-equityfondsen tot de professionalisering van de sector en de toenemende nadruk op actief eigenaarschap en waardecreatie. Het boek gaat daarbij in op de historische negatieve bijklank van private equity, die onder meer samenhing met zwaar gefinancierde overnames en ingrijpende herstructureringen. Daartegenover plaatst Martens de evolutie richting betere governance en een actievere rol van fondsbeheerders bij de ontwikkeling van hun portefeuillebedrijven. Daarnaast behandelt hij de verhouding tussen risico en rendement, de plaats van private equity binnen een bredere portefeuille en typische kenmerken van de activaklasse, zoals de J-curve. Ook de Europese en Belgische context komt aan bod, inclusief de private privak. Tot slot kijkt Martens naar de verdere ontwikkeling van private markten.
Dit artikel verscheen oorspronkelijk op Investment Officer (3 september 2026), geschreven door Francis Muyshondt. Met toestemming overgenomen.