De elfendertigste correctie van technologieaandelen wekt bij mij nog meer ergernis op dan haar voorgangers, die meestal snel hun plaats in de geschiedenisboeken vonden en vervolgens werden ingehaald door een hernieuwde golf van enthousiasme.

Vanzelfsprekend hebben investeerders het recht om de hoogvliegers van de technologiebeurzen door de spitsroeden te doen lopen en de veronderstellingen waarop een beurshausse steunt aan een grondige test te onderwerpen. Om nadien, met toegenomen overtuiging, nieuwe recordniveaus te gaan opzoeken.

De steen des aanstoots is deze keer echter niet de twijfel over de groeicapaciteit van deze ondernemingen, maar wel de verdere versnelling van de inflatie, die aanleiding geeft tot stijgende langetermijnrentes en de kans op een verhoging van de beleidsrente doet toenemen. Aangezien de verdere expansie van artificiële intelligentie steunt op liquide en relatief goedkope financiering, dreigt deze inflatoire opstoot een stevige stok in de wielen te steken. De impact is inmiddels nadrukkelijk voelbaar in de kerninflatie, en dat kan de grootste investeringsgolf uit de economische geschiedenis gaan afremmen.

Vooral storend is het feit dat deze inflatie, net als de daarop geïnspireerde verhogingen van de beleidsrente door de centrale banken in de Eurozone en de VS, een volstrekt onnodige kost oplegt aan de consument, de industrie en de investeerders aan beide zijden van de Atlantische Oceaan. De versnellende prijsstijgingen weerspiegelen een opeenstapeling van strategische blunders. Ze negeren waarschuwingen uit het verleden en tarten elke economische en militaire wetmatigheid.

Dat gebeurt niet straffeloos. Alle empirische vaststellingen over diverse periodes waarin importtarieven werden verhoogd, wijzen in de richting van inflatoire druk of ontwrichtende averechtse effecten. Dat geldt zowel voor het verre verleden, met de tarieven van McKinley op het einde van de 19de eeuw en de rampzalige Smoot-Hawley-tarieven die mee de weg effenden naar de Grote Depressie, als voor de recente handelsconflicten in 2018 en 2025.

In een recente studie schatte de Amerikaanse centrale bank dat momenteel meer dan 90% van nieuw opgelegde heffingen bij de Amerikaanse consumenten en bedrijven terechtkomt. Toch reageerden de aandelenbeurzen, na een initiële schrikreactie, met veel maturiteit op al deze tarievenonzin. De inflatoire gevolgen hiervan zijn weliswaar substantieel, maar slechts eenmalig van aard en bedreigen voorlopig niet de groeimotor – de investeringen in AI-infrastructuur.

De opwaartse druk op de energieprijzen, die nu ook nadrukkelijk doorsijpelt in de kerninflatie, is echter van een andere orde en is het rechtstreekse gevolg van een overhaaste en onvoldoende doordachte militaire operatie in het Midden-Oosten, die de meest elementaire lessen uit de krijgsgeschiedenis compleet negeerde. Consumenten, bedrijven en uiteindelijk ook beleggers betalen daarvoor de rekening.

Het regime in Teheran weet zijn strategische troefkaarten ten volle te benutten, waardoor Washington aanzienlijk meer creativiteit aan de dag zal moeten leggen om zich uit dit geopolitieke wespennest terug te trekken zonder al te veel gezichtsverlies.

De geschiedenis leert immers dat militaire interventies vaak eenvoudiger beginnen dan ze eindigen.

Grafiek 1: Lange termijnrente (10 jaar) in de VS en de Eurozone

Intussen blijven de beurzen zich opmerkelijk weerbaar tonen, ondanks de forse stijging van de lange rente. Een dergelijke rente-opstoot zou de aandelenmarkten vroeger diep in de rode cijfers hebben geduwd. Nu ligt dat anders. De verklaring voor deze uitzonderlijke veerkracht is snel gevonden: de verwachte groeivoet van een beperkt aantal ondernemingen en specifieke subsectoren versnelt zodanig dat zij, dankzij hun zware gewicht in indices zoals de S&P 500 en Nasdaq, de volledige aandelenmarkt mee hoger trekken.

Het laat zich gemakkelijk raden welke subsectoren en aandelen deze rol vervullen. Van de vijfhonderd aandelen in de S&P 500 zijn zes namen (of 1,2% van het totaal) verantwoordelijk voor ongeveer de helft van de beursstijging. Voeg daar nog tien ondernemingen aan toe, dan is hiermee meer dan driekwart van de koerswinst sinds het begin van 2026 verklaard. Met andere woorden, 3,2% van de aandelen levert meer dan 75% van de winst.

Tabel 1: Concentratie van de beurswinsten in de VS

Dat geeft echter gestalte aan een bijkomende dimensie van het huidige beleggingsrisico. Naarmate deze trend zich nadrukkelijker doorzet, worden portefeuilles geconcentreerder en daarmee ook kwetsbaarder. Wanneer de markt de uitzonderlijke groeiverwachtingen van deze beperkte groep ondernemingen in vraag stelt, dan gaat dit gepaard met bruuske bewegingen.

Let hierbij vooral op de basisgegevens en niet op de waan van de dag. Blijven bedrijven als TSMC, NVIDIA, AMD, Micron, SK Hynix of Samsung Electronics wijzen op een volgehouden vraag naar hun producten of diensten? Zo ja, kijk dan door de beursturbulentie heen en zie het als een (zoveelste) opportuniteit.

Uit de laatste omzetcijfers van twee zeer belangrijke spelers in AI-benodigdheden, met name TSMC en Micron, is er alleszins geen enkele indicatie die wijst op een afname van de AI-gedreven vraag of een neerwaartse herziening van de groeicijfers. De argwaan van beleggers gaat echter in toenemende mate uit naar de obligatiemarkten die de vraag naar financiering van de AI-gerelateerde investeringsplannen moeilijk kunnen behappen en tegelijk moeten inbouwen dat bij een dergelijke massale kredietvraag ook het kredietrisico toeneemt.

Typisch voor de huidige investeringsfase zijn de bruuske subsector-rotaties. Enkele maanden geleden werden softwarebedrijven massaal ingeruild voor AI-enablers, bedrijven die de nodige chips en machines leveren om de verdere AI-expansie mogelijk te maken.

Meer recent zien we echter de omgekeerde trend waarbij er nu wordt uitgegaan van enerzijds een stabiliserende vraag naar geheugenchips, datacenters en cloudinfrastructuur en anderzijds een toenemende vraag naar software-applicaties.

Grafiek 2: Evolutie van een aantal subsectoren van de IT-sector

In een dergelijke turbulente context is goede raad duur. Een Brits-Amerikaanse dichter schreef een eenvoudige remedie, nadat de hoop die was ontstaan na het beëindigen van WO II langzaam verdampte en een lege ruimte achterliet die zich vulde met oppervlakkigheid en angstgevoelens. In die zin verschilt 1947 niet zo veel van nu.

The world needs a wash and a week’s rest, schreef W.H. Auden in The Age of Anxiety, zijn met een Pulitzerprijs bekroonde gedicht.

Een frisse schrobbeurt en graag wat tijd voor bezinning.

Afspraak na de Midterms (van 3 november)?